Toronto

Met een dag eerder in de drogisterij gekocht krasbiljet, springen we op het sympathieke trammetje van Toronto . Eigenlijk zijn deze trams aan vervanging toe, maar dat beseffen de Torontonians zelf blijkbaar ook; later die dag zal ik er één zien passeren tijdens een testrit; een exacte kopie van hun moderne Antwerpse trambroeders.

Al na een kwartier staan we midden in het centrum. We beslissen eerst naar het gigantische winkelcentrum op Dundass-square te gaan, het kloppende hart van deze stad. Zoals in elke shoppingcenter wereldwijd ook hier geen verrassingen; ketens die je in Europa ook vind en een alarmerend gebrek aan goede boeken- en platenwinkels. Het zijn wel nog solden en koop mezelf in de Gap een shirt met een Canadavermelding voor een zacht prijsje. We gaan nog langs de Applestore en een boekenwinkel en begeven ons dan al snel terug de straat op.

We slaan het Royal Ontario Museum over; het grootste museum van Canada zou ons teveel tijd kosten en in Toronto is veel te veel te zien en te beleven. We wandelen in de richting van St.-Lawrence Market. We proberen een stukje het Path-netwerk te volgen. Dit ondergronds netwerk van voetpaden werd destijds gecreëerd omdat de winters in Toronto ongenadig koud kunnen zijn en de reisgids is vol lof over dit knap staaltje stadsondertunneling. Tijdens deze warme zomer is het er anders griezeling leeg en we verlaten het al in de volgende uitgang. Als we boven komen, is het zoeken naar de weg naar buiten, maar uiteindelijk komen we weer in de drukke zomerstraten terecht en zetten we onze weg naar Sint-Lawrence Market verder.
Denk La Bocqieira en Barcelona of Saluhall in Stockholm, maar dan met een Anglesaksische zwier. Overal vind je koeltogen met verse vis en kraampjes met lokale specialiteiten. Maar amper een plek waar je ter plekke kan consumeren; het gros van de aangeboden producten is voor ‘thuisgebruik’. Daar hebben wij hier niet zo veel aan. Op dus naar de volgende landmark.

Het Distillery district is een oude whiskeystokerij die de Torontonians hebben omgevormd tot een hip stadsdeel. De oude opslagplaatsen en stookplaatsen, werden geronoveerd tot hippe winkels en eetcafé’s. We bezoek een retro-sportwinkel (met prijzen uit een verre toekomst) en een hippe interieurwinkel. Hippe interieurwinkels zeggen mij ook hier niets en dus zitten we al snel op een zonovergoten terrasje waar de piepjonge serveuze uit haar vriendelijke rol valt als blijkt dat we alleen wat te drinken willen. Deels begrijpelijk in een land waar het horecapersoneel moet leven van de fooien die de bezoekers willen achterlaten.

We springen terug de tram op richting ferryterminal. Een van de hoogtepunten, zo leert ons Lonely Planet, is een bezoek aan de eilandenarchipel enkele honderden meters in het Ontariomeer. De eilanden beschikken over een pretpark, een wandeldijk en heel erg veel vakantiehuisjes. Wij nemen een retourtje naar het oostelijke eiland en zijn bijna alleen op het veerpont. Het schip naast ons in de aanlegsteiger, naar het centrale eiland, zit afgeladen vol. Daar zal dat pretpark wel voor iets tussen zitten.

De overzet duurt krap tien minuten. Maar het uitzicht op de skyline van Toronto is er niet minder om. Ronduit adembenemend schittert deze stad, die wel van zilver lijkt gemaakt, in de namiddagzon. We lopen eerst wat verkeerd tussen de weekendhuisjes, maar na een half uur komen we uit op een goed verstopt strandje. Redder incluis. We wandelen over de fraaie smalle wandelboulevard en drinken een thee in het, alweer, erg Brits aandoende Rectory Café. De naam, overigens, van een bekend Engels theehuis dat we vorig jaar al bezochten. Als onze thee op is, merken we doorheen het bladerdak dat de namiddagzon stevig aan het zakken is. We spoeden ons dus terug naar de ferry. Die doet nog een ommetje langs het westelijke punt van het eiland en biedt ons aldus nog een leuk uitzicht op de City Airport, waar vliegtuigen nog steeds af en aan vliegen.

Als het schip aanmeert, spoeden we ons naar de CBC-gebouwen. Op weg naar de CN-tower. Deze 553 meter hoge toren is zonder enige twijfel hét Landmark van Toronto. Al van kilometers ver herken je de betonnen spits met de uitbouw. Van op het gelijkvloers lijkt een rit naar boven ronduit angstaanjagend. Elke besluit om niet mee te gaan, dus ben ik op mezelf aangewezen. Voor 27 euro is een toegangsticketje het mijne. Nu is er geen weg meer terug .

De rij is lang maar gaat snel vooruit. De veiligheidsmaatregelen zijn even streng als in een doorsnee luchthaven. Na een (verplicht) fotomoment voor een bluescreen, waarvan het resutaat na bezoek kan aangekocht worden om als idyllisch familieportet te dienen, sta ik als einzelgänger al snel in de lift. Die is quasi volledig van glas en schiet als een raket naar het uitkijkplatform op 300 meter. Onderweg geeft de lokale Robbedoes uitleg over de lift in al zijn facetten.

Boven is het erg druk. Ik ga dan ook maar meteen een wandelingetje in de frisse buitenlucht doen. Er staat op deze hoogte erg veel wind, maar het uitzicht is ronduit spectaculair. Het is een mooie, wolkenloze dag dus ik kan heel erg ver kijken. Onder mijn voeten lijkt de Toronto City Airport wel van Playmobil. De stad zelf is verrassend stil op deze hoogte. Ik laat me fotograferen door een andere toerist en ga weer naar binnen. Daar voel ik dat de toren langzaam meebuigt met de wind. Niet dat dat gevoel alles overheerst, maar het is er wel. Als je erop let.

De lift naar beneden gaat even snel als die naar boven en na een halve minuut sta ik weer veilig op de planeet. De souvenirshop is me te typisch en de eerder genomen familiefoto is eerder zielig met mij alleen erop. Zonder dus nog een dollar uit te geven, herenig ik mij buiten met Elke. Die wilde nog naar het iets verderop gelegen aquarium gaan maar vond dat, met zijn 35 dollar inkom, toch ietwat te duur.

We wandelen onze laatste meters in de stad op weg terug naar Queen Street om daar de tram terug te nemen.

’s Avonds eten we nog in een Italiaans restaurant als een bont allegaartje aan lopers passeert. Het blijkt een groepje buren te zijn die eens per week afspreekt om samen door de straten te gaan lopen. Dat spontaan georganiseerde lijkt mij, na een studie van enkele dagen, iets typisch Canadees te zijn. Leesclubs, loopclubs, paddleclubs… Ze ontstaan spontaan uit het niets en lijken ook weer zo op te lossen. Zonder het georganiseer van een vzw of andere feitelijke verenigingen.

’s Anderendaags nemen we, na een ontbijt van havermoutpap-met-rozijnen, uitgebreid afscheid en van Barry en Lambert. We stappen , na een enerverend lange rij aan de veiligheid, in het vliegtuig voor een vlucht van bijna drie uur naar Vancouver, aan de Stille Oceaan.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.