De hoge route

De weerberichten hadden het ons beloofd en het komt ook uit: als we de gordijnen van onze bijzonder comfortabele kamer openschuiven, priemen de zonnestralen naar binnen. Ik raak makkelijk uit bed en we zijn klaar voor een fiks ontbijt.

En dat is nodig ook; ik heb mijn dagelijks Schots ontbijt, maar pa heeft, in plaats van zijn ochtendlijk fruit en graanproducten, gekozen voor kippers (gerookte haring). Tot groot jolijt van de andere ontbijtgasten (een koppel uit Newcastle en één uit Doncaster) heeft hij daar erg veel moeite  mee. Ik eet dan weer voor de eerste keer in mijn leven een plak haggis (dat is, voor wie dat nog niet zou weten, een schapenmaag gevuld met de rest van het schaap met aftrek van de botten en met toevoeging van peper. Veel peper) en zou geen nee zeggen als men het mij nog eens zou voorzetten. 

Het koppel uit Newcastle doet de Great Glen Way met vervoer van bagage. Stiekem vind ik dat niet zo’n slecht idee. De rugzak zorgt er immers voor dat een parcours dat normaar een fluitje van een cent zou moeten zijn, ineens een hele klus wordt. Manda geeft mij een boekje waarin de alternatieve High Route naar Drumnadrochit beschreven staat. Ik lees het snel door en zeg dat ik eraan zou denken.

Als de Newcastelers vertrokken zijn voor hun wandeldag naar Drumnadrochit, vertelt Manda ons dat de rode eekhoorn in haar tuin een toeristische trekpleister geworden is. ”In Schotland”, vertelt ze, ”kan je 80 jaar worden zonder er één te zien. Allemaal weggejaagd door hun Amerikaanse neefjes”. Ik zeg haar dat we de dag voordien een exemplaar de weg zagen over schieten en dat we dat toen niks bijzonders vonden. Aan rode eekhoorns is, in tegenstelling tot ongeveer alle andere natuur, in onze contreien immers geen gebrek. Ze schijnt ons moeilijk te geloven, zeker als ik zeg dat we er bijna de wegen mee aanleggen.

Lindsay en Manda nemen hartelijk afscheid en stoppen ons nog een appel en een flesje water toe, waarna we na de oprit alweer stevig moeten klimmen. Na een tweetal kilometer komen we aan het punt waar we moeten beslissen tussen de hoge of de lage route. Het weer is erg helder, dus de kans op een spectaculair uitzicht is heel erg groot. We nemen dan ook de eerste optie. Naar boven!

De klim is inderdaad niet van de poes. Een goed onderhouden pad slingert zich door het bos tot op een punt waar het bos ophoudt en we in een hoogvlakte komen met de kenmerkende heidevegetatie die je overal in de Highlands terugvindt. Boven vinden we een cirkelvormig monument waardoorheen we de Ben Nevis in de verte kunnen zien liggen. We hebben geluk; ook al hangt er een wolkendek boven zijn massief, toch kunnen we Schotland’s hoogste berg, die op -ongeveer- zestig kilometer ligt,  goed zien. Als we verder wandelen, worden we voorbijgestoken door een eenzame trailrenster. Het plaatst ons gekreun en gesteun tijdens de beklimming meteen in een ander perspectief.

We doen als ons klimwerk teniet en dalen terug af. We kruisen een karrenspoor naar Alltsigh, met een naar verluidt voortreffelijke jeugdherberg, en moeten daarna alweer gaan klimmen. We komen aan de Trollenbrug, ingewijd door leerlingen van een plaatselijke lagere school. Van enkele leerlingen hangt er een limerick achter glas. ze zijn verdraaid goed voor kinderen van die leeftijd. Ze gaan allemaal over een trol die onder het brugje zou huizen. Vandaag geeft hij niet thuis en dus kunnen we zonder problemen het gestileerde brugje oversteken, waarna het weer bijna negentig graden omhoog gaat. Alleszins; zo voelt het.

De tocht naar boven was zwaar, maar zelden werd een inspanning zo beloond als vandaag. Het uitzicht over Loch Ness, de achterliggende Highlands en de Ben Nevis is werkelijk adembenemend. Dit moet bijna zeker het mooiste punt van de hele week zijn. Het meer strekt zich onder onze voeten uit van zuidwest naar noordoost en we hebben het gevoel dat we het 40-kilometer lange meer helemaal kunnen zien. We zien groene weiden en heidegebieden die samen met de heuvels en het meer in de verte samen lijken te komen. We nemen onze tijd om uit te blazen en foto’s te nemen, waarna het tijd is om terug af te dalen. Een stukje lager komen we weer een ’aanbevolen uitzichtpunt’ tegen, maar zo goed als een uur geleden wordt het nooit meer.

De hoge route komt terug samen met de lage en een beetje verder komen we de Newcastlers terug tegen. Ze verlaten net een bankje in de zon waarop wij gaan zitten om te lunchen.

Na de lunch gaat het verder naar beneden. Na enkele mijlen, en zeven uur na de start,  zien we alweer de eerste huizen van Drumnadrochit voor ons. Ook hier moeten we weer eerst een eindje er van wegstappen voor we het dorp uiteindelijk in kunnen en in te checken in de Loch Ness-hostel. De hostel wordt ook gebruikt als plaatselijke lesruimte voor doedelzakspelers in spé en er wordt dan ook terug geoefend. In de leefruimte zitten andere reizigers over hun laptop gebogen. Het is te laat om nog naar Urquhart castle te gaan. Het is ook op twee mijl van hier en zo ver wil ik vandaag eigenlijk niet meer stappen. Na het douchen gaan we dan maar in het dorp een kijkje nemen. Alles staat hier in het teken van het bekende monster. Er is een museum over het monster en zelfs een heus ’Nessieland’. Er vertrekken ook dagelijks vele toeristenbootjes die op zoek gaan naar het monster. Of Nessie nu acht bestaat of niet laat ik in het midden. Ik weet alleen dat iemand die een tijdje in Schotland verblijft, automatisch in wonderen gaat geloven.

We eten in Fiddlers, een bekende whiskybar annex restaurant en ruilen het dessert voor een whiskytasting. Voor de eerste keer ondervind ik aan den lijve dat niet alle Whisky’s inderdaad hetzelfde zijn. Zouden al die whiskysnobs dan toch gelijk hebben?

We drinken nog wat in de hostel en gaan dan slapen. Morgen de laatste etappe naar Inverness. Een fikse 32 kilometer.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.