De Natuurlopen Van Lier

Toegegeven. Ik hijs mezelf heel erg graag in loopkledij om mezelf daarna kilometers lang af te matten, maar zonder wedstrijdmotivatie hield ik het geen drie weken uit. Ik heb echt elke maand een uitdaging nodig in de vorm van een wedstrijd (met tijdsopname en voldoende deelnemers die zo vriendelijk willen zijn om ná mij te finishen), maar in de winter zijn die relatief dun gezaaid. De Natuurlopen Van Lier zijn dan ook een ideale oplossing. Voor de prijs van een 10-kilometer-Golazoloop, koop je hier een abonnement waarbij je mag deelnemen aan elke loop van het criterium. Er is een 10 mijl in november, één in december, een halve marathon in januari en een 25 kilometer in februari (minder kan natuurlijk ook). Genoeg motivatie, dus!

De eerste natuurloop, die van november, ging mij relatief goed af gezien mijn geringe trainingsarbeid. Ik haalde een tijd van 1:18:31 en dat was meteen een soort van record op deze afstand. Welgemutst naar huis, dus.

Toen kwam december. 17 december, een week voor de kerst, stond ik alweer aan de start op de netedijk in Lier. Bij de start leek alles nog goed te gaan, maar al na drie kilometer was het vet van de soep. Ik weet niet goed hoe ik dit gevoel moet omschrijven, buiten dan dat je over een onzichtbare loopband lijkt te lopen, waardoor dat punt aan de horizon maar niet dichterbij komt. En mijn knie deed pijn (moet ik nog eens naar laten kijken). Aan het halfwegpunt, waar ik normaal altijd nog wat versnel, was de jus helemaal opgesoupeerd. De cartouchen verschoten. Ik vond mezelf traag lopen, maar het lukte maar niet om te versnellen. En als ultiem bewijs dat het een rotdag was, werd ik vanaf dan ook nog eens heel regelmatig voorbij gestoken. Toen ik aan de samenvloeiing van de Nete en het Netekanaal achterom keek, was de laatste loper beangstigend dichtbij. Na de bevoorrading kon ik nog héél even wat sneller, maar zelfs de laatste kilometer kreeg ik geen peper meer in de kont. Op de finishlijn werd ik zelfs nog voorbijgespurt. Resultaat: 1:22:04. Bijna vijf minuten langer dan vorige maand…

Voorbijgespurt op de meet…

Ingeschreven!

Vijf dagen geleden schreef ik me in voor mijn allereerste marathon. Op dit kleine stukje internet kan u alvast lezen hoe het de weg er naar toe me vergaat. Ik heb lang getwjifeld of ik mij wel bij het loopbloggersgild zou voegen. Een extra boom planten in het Amazonewoud is al bij al een vrij idiote bezigheid. Ik doe het toch maar; zo heb ik in dat erg grote regenwoud alvast één boom met mijn naam op die ik al zeker zélf leuk om naar te kijken vind. Die loopselfies van onderweg moeten toch ook ergens kwijt. Ik las ergens dat loopblogs de nieuwe modeblogs zijn. Als ik dus begin te klinken als een hysterische fashionista, mag u mij dat gerust laten weten. 

De marathon dus. Zoals velen van mijn lotgenoten kwam die afstand niet gewoon in mij op bij het ontwaken op een blauwe maandag. Het is een geleidelijk proces geweest dat begon bij “Dwars door Mechelen” (een 10 kilometer) in 2010 en sindsdien eigenlijk niet meer gestopt (maar nog wel af en toe geminderd) is. Van mijn eerste tien kilometer-wedstrijd ging het dan naar de 10 mijl en in 2015 mijn eerste halve Marathon (die van Kasterlee, voor de liefhebber). Het ‘ik wil een marathon lopen”-gevoel was er dan uiteindelijk bij de marathon van Antwerpen in 2016, waar ik toeschouwer was. Sinsdien is het niet meer weggegaan en sinds afgelopen vrijdag ben ik bijgevolg ingeschreven voor dezelfde marathon, één editie later.

Niet dit jaar

Ik ben niet gestart aan de Dodentocht dit jaar.

Toch ben ik gewoon thuis.

Twee jaar na elkaar de mytische 100 kilometer wandelen leek mij meer dan voldoende. Ook al omdat een parcours dat elk jaar weer grotendeels op dat van een jaar eerder lijkt snel verveelt als je er bijna 24 uur op loopt. Natuurlijk, de euforie van de laatste halve kilometer in de winkelstraat is met niets te vergelijken, maar vorig jaar betrapte ik mezelf erop dat ook dat slijt. Het was toen nog aangenaam, dat zeker, maar de adrenalinerush van de editie daarvoor kwam nooit helemaal terug.

Of ik nu nooit meer zal deelnemen? Natuurlijk niet. In 2019 zou de 50ste editie moeten doorgaan, die jubileumeditie wil ik niet missen. Daarna zou elk decennium van mijn leven nog minstens één Dodentocht moeten zien. Minstens, want ik wil er zeker tien hebben uitgelopen.

In afwachting van de editie van 2019, stort ik met dus op andere uitdagingen.

 

Zoevende landschappen

Taxi’s verdringen elkaar voor de ingang van het oude stationsgebouw van Inverness. Binnen is het druk en staren mensen naar de aankondigingsborden. Een gevolg van de Schotse gewoonte om het juiste spoor pas enkele minuten voor het vetrek aan te kondigen. Wij moeten alvast de trein naar Londen nemen en er op tijd, in Edinburgh, afspringen.

Het is niet druk op de trein en we hebben comfortabel veel plaats. En dat komt van pas; we zijn allebei nog moe van de inspanningen van de afgelopen dagen en een voormiddag uitrusten in een zacht schommelend rijtuig, zal ons zeker goed doen. Na enkele minuten zet het gevaarte van Virgin East Coast Trains zich in beweging. Na de treinrit van vorig jaar zijn de verwachtingen hoog gespannen.

De trein dendert zich rustig op gang en het eindeloos groene heuvellandschap glijdt voorbij. We steken de grenzen van het Cairngorms National Park over en stoppen in Aviemore, de grootste nederzetting van het eerder genoemde park. Het plateau van de Cairngorms is het hoogste en koudste van het Verenigd Koninkrijk (warmer dan tien graden wordt het hier zelden) en dat merken we aan de vele besneeuwde toppen. Eenmaal Aviemore uit, krijgen we alweer heel erg veel landschap voor ons treinticketje.

We schommelen doorheen een besneeuwd berglandschap doornsneden met langgerekte groene valleien, gemaakt door klaterende bergrivieren. Het geheel is machtig en zo mogelijk nog mooier dan het zicht dat we vorig jaar getrakteerd kregen. De trein rijdt door een bergpas waar je je zelfs zonder verbeelding op de mooiste plekken van een onbestemd Alpenland waant. Af en toe wordt het zicht ons ontnomen door een tunnel, maar verder is het genieten van weidse landschappen en, helaas, ook van de autoweg die zich samen met de spoorweg doorheen dezelfde valleien en passen slingert.

Eens de Cairngorms uit wordt het weer ’gewoon Schots’. Dat wil zeggen dat de groene heuvels en gekleurde heidevelden er nog altijd zijn, maar dat de Alpiene achtergrond weg is. In elk ander land zou ook dit tot ’oh’s’ en ’ah’s’ leiden, maar niet in Schotland. Een mens verwacht nu eenmaal meer van dit land.

Het is, net als vorige week, druk in Edinburgh. De op koopjes beluste massa wordt door de treinen uitgespuwd. We laten ons meevoeren naar de straat en ik besluit even bij de toeristische dienst langs te gaan, zodat onze krap vierentwintig uur in Edinburgh goed besteed zullen zijn. Daarna gaat het naar de jeugdherberg waar we onze bagage mogen achterlaten in een locker. Nog half verdoofd van de kostprijs van dat kastje, gaan we de straat op. Het is kort na de middag dus er is nog veel mogelijk. We gaan naar de Royal Mile, dat is de bekendste straat van de stad die, in een rechte, stijgende lijn de Koninklijke verblijven verbindt met Edinburgh Castle. Dat laatste is waar we naartoe willen.

Het plein voor Edinburgh Castle biedt aan weerszijden een fraai uitzicht over de stad. Een ijscokarretje lijkt wat onwennig in de weg te staan. Het kasteel zelf oogt als een massief rotsblok voorzien van een enorme poort. We begeven ons even naar de binnenkoer, maar gaan het kasteel niet binnen. In plaats daarvan maken we rechtsomkeer en stappen naar The National Museum of Scotland. Groot is onze verbazing als blijkt dat het gesloten is door… een vakbondsactie. Zou dat laatste dan toch niet zo ”typisch Bellege” zijn?

Niets aan te doen; dan gaan we het Holyrood Palace, het officieel verblijf van de Queen in de Schotse Hoofdstad, eens wat beter bekijken. Onze aandacht wordt echter getrokken door een gebouw er recht tegenover; het Schotse Parlement. Het pareltje van moderne architectuur blijkt gratis te bezoeken, dus besluiten we dat ook maar te doen.  Het staat er sinds 1997 en het is verbazend hoe vrij men er mag rondlopen. De raadszaal, het hart van het gebouw, is de moeite van het bezoeken zeker waard.

We staan van het uitzicht te genieten op Calton Hill, als we besluiten om nog wat gaan te drinken. We doen het eerste terrasje van het jaar in een lekker avondzonnetje. Daarna eten we snel iets bij Pizza Hut en is het al bijna bedtijd. als slapen lukt met het lawaaierige verkeer.

’s Anderendaags bezoeken we het Schotse nationaal museum dat niet helemaal is wat ik ervan verwachte. Er is moeilijk een lijn in te trekken en de collectie is eerder chaotisch te noemen. Het fungeert als Natuurhistorisch en volkskundig museum, maar beide rollen vervult  het maar half. Het is gratis en om die reden mag je het bij een bezoek aan Edinburgh niet links laten liggen, maar echt wijzer in de Schotse geschiedenis wordt je er ook niet van.

We nemen dezelfde tram terug naar de Luchthaven als die waarmee we gekomen zijn. In de luchthaven mijmer ik over hoe genereus dit land deze keer weer was. Ik weet zeker dat ik nog terug kom. Maar of dat alweer volgend jaar is… Wie weet…

dromen van kastelen

Het is een bescheiden ontbijt dat ons moet voorbereiden op de langste wandeldag. 32 kilometer krijgen we vandaag voor de voeten en we moeten ons behelpen met cornflakes, toastjes en rice krispies. Niet zo ideaal voor een inspanning als een ontbijt met worstjes, bonen in tomatensaus en spek met eieren, maar gezien de prijs die we maar moesten betalen voor de overnachting zeker niet slecht.

We doen eerst inkopen in de supermarktje naast het shinty-veld (een soort hockey maar dan ietwat gewelddadiger) van Drumnadrochit en wandelen dan door het ontwakende dorp. Het is alweer enkele dagen geleden dat we niet meteen moeten klimmen.

We nemen nog enkele foto’ s op het fraaie dorpsplein en wurmen ons voorbij wegenwerken die op een brug aan de gang zijn. Die veroorzaken een file en de eerste kilometer wandelen we dus langs een stoet auto’s en vrachtwagens. Het is een hele verademing als de Great Glen Way zich, na twee kilometer, terug afzondert en tussen de weiden gaat slingeren. We moeten even verderop een omleiding volgen. Als we terug op de weg komen, werpen we nog een laatste blik op het wereldberoemde Urquhart Castle aan de oever van Loch Ness en duiken we het bos in.

Het is een uitzonderlijk dicht bos met bemoste bomen die hier duidelijk ook al stonden tijdens de vele clanoorlogen. Het is het soort woud dat de fantasie spontaan gaat prikkelen. Vanachter elke boom kan een mytisch wezen opduiken, dat hopelijk een verkwikkende nachtrust heeft gehad. De zonnestralen komen amper door het bladerdak en zelfs  de vogeltjes schijnen moeizaam de weg naar hier te vinden. En alsof een dreigende aanval van een ork of bostrol al niet erg genoeg is, moeten we ook nog een tijdje klimmen. Telkens als we denken dat we boven zijn, dient er zich enkele honderden meter verder een nieuwe helling aan.

We wandelen het bos uit en kom in een heidelandschap terecht. Na nog een aantal kilometer komen we voorbij het officieel hoogste punt van de GGW. We lopen intussen over een brede landweg en besluiten te lunchen op een stapel boomstammen. Een bord vlakbij meldt ons ”Inverness 12 miles”.

We wandelen door Abriachan Forest, een populair recreatiegebied bij de mensen uit de buurt aan het aantal wagens op de parking te zien. Als we de weg oversteken komen we even verderop voorbij de camping van Abriachan, aangeduid door alles wat de eigenaar op zijn weg scheen te vinden. We laten de camping en bijbehorende bar links liggen en wandelen verder. We komen uit op een betonweg en kunnen nog eens genieten van een wijds Schots heuvellandschap. We zien zelfs de eerste streepjes Noordzee.

Ik leg er even de pees op om de pijn in mijn voeten niet te voelen. Ik heb deze wandelweg onderschat, dat moet ik toegeven.

Het betonwegje baant zich een weg door de heidevelden. Heel af en toe passeert er een wagen en werkelijk iedereen wuift je hier een goeiedag toe. We ronden een heuvel en zien, heel in de verte, de eerste buitenwijken van Inverness verschijnen. Een beetje verder gaat het wandelpad van de asfaltweg af. We komen op een onverharde weg die vroeger, zo leert ons een infobord, de weg was die de veedrijvers naar de markt van Inverness namen met hun kuddes. Het kan nu echt niet ver meer zijn.

Het pad komt in een woud terecht. Ik verlies Pa uit het oog, want ik raak amper nog vooruit. De Pijnlijke voeten, de vermoeidheid en de stenen die ik door mijn zolen door voel, beginnen te wegen. Ik vloek binnensmonds. Aan deze weg door dit, overigens zeer fraaie, bos schijnt geen eind te komen tot ik, drie kwartier later, Pa weer inhaal. Aan onze voeten strekt Inverness zich uit. We zijn er bijna! We nemen een vieruurtje en stappen verder.

Langzaam dalen we af in de suburbs van Inverness. We komen voorbij de bouwwerf van het oude hospitaal, enkele speelparkjes, een golfterrein, een tunneltje onder  de A82, Het Caledonian Canal en een sportcomplex. Vervolgens komen we in het stadspark, erg mooi gelegen in het estuarium van de Inver. Het is er druk. Joggers, bejaarden en skaters; kortom het soort mensen dat je in elk park wereldwijd aantreft. Van Inverness Castle, het eindpunt, geen spoor. We steken nog twee bruggen over en middenin de tweede brug zie ik een torentje, niet zo héél ver aan de overkant. Zou het?

Inderdaad! Eens we het park uit zijn, zien we Inverness castle in al zijn glorie; het heeft niet het charisma van Edinburgh Castle of de betoverende schoonheid van Schloss Neuschwanstein, maar wat ben ik blij het te zien!

De laatste kilometer gaat sneller dan de zeven vorige. Het kasteel zelf stelt écht niet veel voor en het is goed uitkijken of je mist het infobord, dat het einde van de Great Glen Way aanduidt, zomaar. Ik ben bijna net zo blij als na het beëindigen van de Dodentocht en laat mij op mijn rug vallen met mijn armen gestrekt in de lucht. We hebben het gehaald! De Great Glen Way zit in onze achterzak.

We strompelen de straat over en drinken een welverdiende pint. Maar het zit er nog niet helemaal op. We moeten nog naar de jeugdherberg, een dikke twee kilometer, wandelen. Moeizaam wandelen we door de winkelstraat , die tot overmaat van ramp nog stevig stijgt om zich te verheffen boven een enorm winkelcentrum.

Eens in de jeugdherberg, die een beetje aan een ziekenhuis doet denken, plof ik op het bed. We moeten nog terug naar het centrum van Inverness om te eten, toch een kleine tegenvaller. We schuiven aan bij een Spaans restaurant, maar we zijn allebei te moe om er nog een lange, gezellige avond van te maken.

Morgen wacht ons de trein naar Edinburgh…

De hoge route

De weerberichten hadden het ons beloofd en het komt ook uit: als we de gordijnen van onze bijzonder comfortabele kamer openschuiven, priemen de zonnestralen naar binnen. Ik raak makkelijk uit bed en we zijn klaar voor een fiks ontbijt.

En dat is nodig ook; ik heb mijn dagelijks Schots ontbijt, maar pa heeft, in plaats van zijn ochtendlijk fruit en graanproducten, gekozen voor kippers (gerookte haring). Tot groot jolijt van de andere ontbijtgasten (een koppel uit Newcastle en één uit Doncaster) heeft hij daar erg veel moeite  mee. Ik eet dan weer voor de eerste keer in mijn leven een plak haggis (dat is, voor wie dat nog niet zou weten, een schapenmaag gevuld met de rest van het schaap met aftrek van de botten en met toevoeging van peper. Veel peper) en zou geen nee zeggen als men het mij nog eens zou voorzetten. 

Het koppel uit Newcastle doet de Great Glen Way met vervoer van bagage. Stiekem vind ik dat niet zo’n slecht idee. De rugzak zorgt er immers voor dat een parcours dat normaar een fluitje van een cent zou moeten zijn, ineens een hele klus wordt. Manda geeft mij een boekje waarin de alternatieve High Route naar Drumnadrochit beschreven staat. Ik lees het snel door en zeg dat ik eraan zou denken.

Als de Newcastelers vertrokken zijn voor hun wandeldag naar Drumnadrochit, vertelt Manda ons dat de rode eekhoorn in haar tuin een toeristische trekpleister geworden is. ”In Schotland”, vertelt ze, ”kan je 80 jaar worden zonder er één te zien. Allemaal weggejaagd door hun Amerikaanse neefjes”. Ik zeg haar dat we de dag voordien een exemplaar de weg zagen over schieten en dat we dat toen niks bijzonders vonden. Aan rode eekhoorns is, in tegenstelling tot ongeveer alle andere natuur, in onze contreien immers geen gebrek. Ze schijnt ons moeilijk te geloven, zeker als ik zeg dat we er bijna de wegen mee aanleggen.

Lindsay en Manda nemen hartelijk afscheid en stoppen ons nog een appel en een flesje water toe, waarna we na de oprit alweer stevig moeten klimmen. Na een tweetal kilometer komen we aan het punt waar we moeten beslissen tussen de hoge of de lage route. Het weer is erg helder, dus de kans op een spectaculair uitzicht is heel erg groot. We nemen dan ook de eerste optie. Naar boven!

De klim is inderdaad niet van de poes. Een goed onderhouden pad slingert zich door het bos tot op een punt waar het bos ophoudt en we in een hoogvlakte komen met de kenmerkende heidevegetatie die je overal in de Highlands terugvindt. Boven vinden we een cirkelvormig monument waardoorheen we de Ben Nevis in de verte kunnen zien liggen. We hebben geluk; ook al hangt er een wolkendek boven zijn massief, toch kunnen we Schotland’s hoogste berg, die op -ongeveer- zestig kilometer ligt,  goed zien. Als we verder wandelen, worden we voorbijgestoken door een eenzame trailrenster. Het plaatst ons gekreun en gesteun tijdens de beklimming meteen in een ander perspectief.

We doen als ons klimwerk teniet en dalen terug af. We kruisen een karrenspoor naar Alltsigh, met een naar verluidt voortreffelijke jeugdherberg, en moeten daarna alweer gaan klimmen. We komen aan de Trollenbrug, ingewijd door leerlingen van een plaatselijke lagere school. Van enkele leerlingen hangt er een limerick achter glas. ze zijn verdraaid goed voor kinderen van die leeftijd. Ze gaan allemaal over een trol die onder het brugje zou huizen. Vandaag geeft hij niet thuis en dus kunnen we zonder problemen het gestileerde brugje oversteken, waarna het weer bijna negentig graden omhoog gaat. Alleszins; zo voelt het.

De tocht naar boven was zwaar, maar zelden werd een inspanning zo beloond als vandaag. Het uitzicht over Loch Ness, de achterliggende Highlands en de Ben Nevis is werkelijk adembenemend. Dit moet bijna zeker het mooiste punt van de hele week zijn. Het meer strekt zich onder onze voeten uit van zuidwest naar noordoost en we hebben het gevoel dat we het 40-kilometer lange meer helemaal kunnen zien. We zien groene weiden en heidegebieden die samen met de heuvels en het meer in de verte samen lijken te komen. We nemen onze tijd om uit te blazen en foto’s te nemen, waarna het tijd is om terug af te dalen. Een stukje lager komen we weer een ’aanbevolen uitzichtpunt’ tegen, maar zo goed als een uur geleden wordt het nooit meer.

De hoge route komt terug samen met de lage en een beetje verder komen we de Newcastlers terug tegen. Ze verlaten net een bankje in de zon waarop wij gaan zitten om te lunchen.

Na de lunch gaat het verder naar beneden. Na enkele mijlen, en zeven uur na de start,  zien we alweer de eerste huizen van Drumnadrochit voor ons. Ook hier moeten we weer eerst een eindje er van wegstappen voor we het dorp uiteindelijk in kunnen en in te checken in de Loch Ness-hostel. De hostel wordt ook gebruikt als plaatselijke lesruimte voor doedelzakspelers in spé en er wordt dan ook terug geoefend. In de leefruimte zitten andere reizigers over hun laptop gebogen. Het is te laat om nog naar Urquhart castle te gaan. Het is ook op twee mijl van hier en zo ver wil ik vandaag eigenlijk niet meer stappen. Na het douchen gaan we dan maar in het dorp een kijkje nemen. Alles staat hier in het teken van het bekende monster. Er is een museum over het monster en zelfs een heus ’Nessieland’. Er vertrekken ook dagelijks vele toeristenbootjes die op zoek gaan naar het monster. Of Nessie nu acht bestaat of niet laat ik in het midden. Ik weet alleen dat iemand die een tijdje in Schotland verblijft, automatisch in wonderen gaat geloven.

We eten in Fiddlers, een bekende whiskybar annex restaurant en ruilen het dessert voor een whiskytasting. Voor de eerste keer ondervind ik aan den lijve dat niet alle Whisky’s inderdaad hetzelfde zijn. Zouden al die whiskysnobs dan toch gelijk hebben?

We drinken nog wat in de hostel en gaan dan slapen. Morgen de laatste etappe naar Inverness. Een fikse 32 kilometer.

Japanners en monsters

’s Ochtends bij het ontbijt stel ik vast dat mijn voeten weer in orde zijn. Het is wel gaan regenen, maar tijdens het zoveelste Schotse ontbijt kan mij dat nog weinig schelen. Naast ons ontbijt een gezin van wie vader en dochter de GGW doen en de moeder als roadie de bagage van plaats naar plaats voert. Geen slecht idee, want die bagage op mijn rug speelt me van in het begin parten als we, via een paadje achter het hotel,  uit het dal van Invergarry klimmen.

Het regent fel als we aan de brug in Aberchalder oversteken. De nieuwe dan, welteverstaan. Vanaf de brug kijken we recht  de oude, veel stijlvollere Oich bridge, naar het gelijknamige meer dat hier eindigt en overgaat in, u raadt het misschien wel, Oich River. Welk van de twee (meer of rivier) eerst zijn naam kreeg, laat ik over aan de bevoegde historici.

Het is aangenaam vlak wandelen op het jaagpad tussen River Oich en het Caledonian Canal. Mijn voeten beginnen net weer te zeuren als we aankomen aan het sluizencomplex van Fort Augustus.   Hier wordt de woeste Highlandnatuur ingeruild voor flitsgrage Japanners en Amerikanen op witte sportschoenen. Dat kan maar één ding betekenen; we naderen Loch Ness.

We doen inkopen in een lokale supermarkt, waarna we, dankzij het weer, besluiten binnen te lunchen. De sandwich met kip gaat vlot binnen, ook al is hij niet van zo’n uitstekende kwaliteit en beslisten de Japanners op de tafel naast de onze om een gigantische en lekker ruikende Fish & Chips-schotel aan te laten rukken.

Na het middagmaal is het weer volop klimmen. Eerst door een rustige woonwijk, daarna weer volop door de dichte aangeplante dennenbossen.  Of door een plek waar alle bomen zijn omgehakt. Wat dan weer als voordeel heeft dat we Loch Ness goed kunnen zien. Twee dagen lang zullen we ’s werelds beroemdste meer als reisgezel naast ons hebben. Als we op het punt komen waar me moeten kiezen tussen er high route en de low route, kiezen we voor het tweede. Dankzij het weer zou onze extra inspanning niet bekroond worden met een schitterend uitzicht.

Het zijn nog acht lange mijlen naar Invermoriston. De pijn in mijn beide voeten is helemaal terug en de eerste echte vermoeidheid begint toe te slaan. Soms gaat het tergend traag vooruit. Daarbij komt dat het maar niet ophoudt met regenen. Na enkele uren zwoegen, komen we dan toch in Invermoriston, al moeten we ook hier weer eerst weg van het dorp wandelen om er weer in t komen.

We stappen over de ruïnes van Telford’s bridge het dorp in. De River Moriston kent hier een groot verval en dat maakt het volgens mij de moeite om hier aan canyoning te doen. Tenminste: door iemand anders.

De bed & breakfast, Craig na Dav, is niet meteen te vinden. We vragen het in de plaatselijke krantenwinkel en worden naar de straat achter de Glenmoriston Arms, een hotel, doorverwezen. Daar worden we enthousiast onthaald door Lindsay en haar zus. Lindsay wijst ons onze kamer en geeft aan de aanwezige whiskey in de kamerprijs is inbegrepen. Ik ben blij dat ik eindelijk mijn rugzak kan afwerpen en me op bed neer kan ploffen. Ik zet de tv op dvd en blijkbaar zit de b-horrorfilm Loch Ness terror daarin vastgeroest. Ik kijk een stukje en stel vast dat ik al beter acterende fantasieschepsels heb gezien. Tijd dus om te douchen. We drinken nog een whiskey en al snel zitten we aan tafel in de Glenmoriston Arms. Naast het enige hotel ook het enige restaurant in de wijde omgeving.

Ook hier geldt weer: erg bekend in de streek, maar voornamelijk steak en hamburgers op het menu. Ik ga voor Fish and chips. Goed klaargemaakt. Dat wel. We praten nog wat over Elvis Presley en The Beatles en besluiten dat het dan bedtijd is.

Gairlochy – Invergarry

Een Schots ontbijt met volledig zicht op Ben Nevis en het aanpalende skigebied; het is zeer aan te bevelen. We nemen afscheid van Heather er danken haar voor de zeer goede zorgen in haar bed and breakfast, Dalcomera. Vandaag krijgen we de 26 kilometer naar Invergarry voor de voeten gesmeten.

De dag begint formidabel. De zon schijnt en Loch Lochy toont zich van zijn mooiste kant. We krijgen heerlijke vergezichten op de Ben Nevis met het meer op de voorgrond. Onderweg worden we er, middels regelmatig geplaatste infoborden, op attent gemaakt dat in dit gebied ooit de commando’s trainden tijdens de tweede wereldoorlog. De landing in Normandië werd, deels, in Loch Lochy getraind.

Vandaag ligt het meer er gelukkig heel rustig bij. Het oppervlak is bijna rimpelloos. Dat levert enkele mooie foto’s op.

De Great Glen Way zelf is intussen een betonwegje geworden. We passeren het Clan Cameron museum, dat alleen in de namiddag enkele uren geopend blijkt.

In het gehucht Clunes gaat de weg over in een onverhard pad. We stijgen een beetje en wandelen een hele tijd door een bos, met het meer aan onze rechterkant. Het pad gaat op en neer en dat had ik onderschat: in de beschrijvingen vooraf leek heel de Great Glen Way een vlakke rit te gaan worden. We lunchen op een boomstam in een grasveldje naast het pad.

De weg is nog een eindje zijn monotone zelf; soms het meer aan de rechterkant. Meestal tussen dichte bossen. Het is dan ook een verademing als we beneden, aan het einde van het meer, Laggan zien liggen. We zitten ineens tussen de met schapen gevulde weiden die Schotland (en Ierland) hun typische uitzicht geven. In Laggan zoeken we een tijdje achter een pub, die uiteindelijk in een omgebouwd rivierschip op het kanaal tussen Loch Lochy en Loch Oich blijkt te zitten. The Eagle is een knappe pub en de gastvrouw kan op geen enkele manier ontkennen dat ze een Schotse is. Ik drink een thee met het idee dat we vlakbij Invergarry zijn. Een behoorlijke misrekening.

We gaan terug op pad en het duurt een tijdje eer we de brug in North Laggan bereiken. We zijn net op tijd over als de sirene van de brug begint te loeien en alle verkeer op de A82 moet stoppen: er moet een riviercruise door.

Een beetje verder steken we de weg over en moeten we alweer klimmen. De weg naar boven is breed en een kwartier later weten we waarom; een tractor met laadbak vol boomstammen dondert naar beneden. Nog eens een kwartier later komt hij weer terug voorbij op weg naar boven. We zijn al bijna anderhalf uur op weg sinds de drijvende pub en mijn voeten doen serieus pijn. Door de bomen heen zien we de eerste huizen van Invergarry. Maar we kunnen er maar niet bij. Eerst gaat de weg een mijl naar het westen, daarna een hele mijl terug naar het oosten. Tegen de tijd dat we in het Invergarry Hotel zijn, zijn we twee uur voorbij Laggan. We rekenden op een half uur.

Invergarry Hotel is een hotel met plaid vloeren en aftandse raamkozijnen; heel typisch Brits, dus. We eten in het in de streek bekende restaurant van het hotel, dat eigenlijk gewoon hamburgers en steak op de kaart heeft staan, maar ik ben te moe om nog te blijven hangen in de bar. We besluiten nog wat te gaan lezen in bed. Na vijf minuten val ik als een blok in slaap.

De sluizen blijven dicht.

Schiphol

Afbeelding 1 van 101

Het regent pijpestelen als we het gordijn openen in de Bank Street Lodge in Fort William. We zeggen gedag tegen de kerel die ons gisteravond ook heeft ingechecked en dus een hele nacht in touw is geweest en wandelen naar het restaurant onder het Travelodge-Hotel van Fort William. Voor amper drie pond is dat monsterlijk Schots ontbijt van mij.

We ontbijten en gaan daarna nog even langs het monument van de West Highland Way, dat vlak naast onze ontbijtplek ligt. Ik aai de bronzen wandelaar nog even over zijn koude hoofd en we wandelen, langs het meer (eigenlijk een fjord) naar de startplek. We moeten het doen met een informatiebord tegenover een tankstation en naast een filiaal van een bekende Amerikaanse fastfoodketen. Deze tocht verdient, denk ik, meer eer. Intussen is de hemel helemaal opgetrokken en dient er zich een mooie dag aan.

Maar daarmee zijn we op weg. Het eerste deel loopt door enkele wijken van Fort William en komt al snel aan een brug over de Lochy. Zo komen we in Caol en lopen we langs de erg winderige waterkant van Loche Eile. Een anderhalf uur na de start, komen we dan aan de sluizen van Corpach. De eerste sluizen van het Caledonian Canal, dat van hier helemaal tot in Inverness loopt, 117 kilometer verder. Het wordt onze trouwe metgezel tot die stad aan de Schotse oostkust. Soms als kanaal, meestal als loch.

Na uitbundig besprongen te worden door twee Ierse setters, komen we in Banavie. Daar gaat het kanaal omhoog via maar liefst acht sluizen, die allemaal samen de Neptunes staircase werden gedoopt. Een boot doet er anderhalf uur over om erdoorheen te raken. Gelukkig voor ons duurt de passage te voet maar enkele minuten.

We lopen nu op een reliëfrijk jaagpad langs het kanaal. De zon schijnt al bijna de hele tijd, wat het aangenaam wandelen maakt. Het gaat op en neer en aan onze rechterkant komt Ben Nevis regelmatig door de wolken rond zijn top piepen. We lunchen aan een weide met een fraai zich op de 1344 meter hoge berg.

Mijn voeten beginnen langzaam maar zeker pijn te doen doordat mijn voetzolen de tien extra kilo’s van de rugzak niet gewoon schijnen te raken. Gelukkig komen we net dan aan in Gairlochy. Een dorp aan het sluizencomplex waar het kanaal de eerste keer in een meer uitmondt: Loch Lochy. Het is nog te vroeg om in te checken in onze bed and breakfast, dus besluiten we nog even, zonder succes, te gaan geocachen.

Terug in de Bed and Breakfast, Dalcomara geheten, worden we uitermate vriendelijk verwelkomd door Heather. Ze toont ons onze uite kluiten gewassen slaapkamer, waar we ons een uurtje te rusten leggen. Daarna eten we, met zicht op de Ben Nevis en een skiresort, onze door de gastvrouw bereidde maaltijd. We wagen ons nog aan een wandelingetje naar de vuurtoren aan het meer en kijken dan nog een film uit de rijke dvd-bibliotheek van de bed and breakfast. Al snel haalt de slaap mij in…

Door The Great Glen

Het heeft gesneeuwd in Upper Tyndrum. Het perron van het stationnetje is bedekt met wat wel poedersuiker lijkt. Gelukkig moeten we niet uit de trein stappen en kunnen we blijven zitten tot Fort William.

Vanmorgen werden we door Elke ruim op tijd afgezet op Schiphol, dat dezer dagen een serieuze facelift krijgt. Na wat geknoei in wat ’s werelds slechtste Park & Ride moet zijn, droppen we onze forse rugzakken af in de automaat van de luchthaven. Noem me gerust ouderwets, maar ik geef mijn rugzak toch liever in vertrouwen aan een goedlachse vrouw in luchtvaartplunje.
Als we de typische luchthavenchecks achter de rug hebben, wachten we in de kelder van Schiphol op onze vlucht naar Edinburgh, waar we met een bus naartoe worden gebracht. De rit naar het vliegtuig lijkt wel een rit door een vliegtuigkerkhof, zo dicht staan de helblauwe toestellen van KLM op elkaar. Telkens wanneer ik denk dat de klaarstaande jet met trapje nu écht wel voor ons is, rijdt de bus nog een beetje verder, tot we eindelijk bij onze gezellig kleine ijzeren vogel staan.
De vlucht naar Edinburgh loopt rustig volgens kenners, met hier en daar een kleine luchtzak, maar blijkbaar niets waar een mens zich zorgen om hoort te maken. Ik zal ook na vandaag geen grote fan van vliegen worden…

De luchthaven van Edinburgh moet zowat de kleinste luchthaven zijn waar ook intercontinentale vluchten vertrekken. De geparkeerde Boeing 747 van Virgin Atlantic die er staat, lijkt alleszins veel te groot voor de kleine, aftandse terminal. Het is even wachten op onze bagage, maar we zitten snel op de zeer comfortabele tram naar het Centrum. De tramlijn rijdt, zeker in het begin, door groene heuvels, wat een beetje vreemd aandoet voor een stadsvoertuig als een tram. We passeren enkele buitenwijken en na een halfuurtje zien we Hoe Edinburgh Castle boven de stad uittorent. Als we hier de laatse dag terug zijn, moeten we dat zeker bezoeken.

Her is even zoeken naar Weavery Station, het centraal station. we halen onze tickets op en gaan voor de snelle hap bij Subway. Dan nemen we de heel erg comfortabele trein naar Glasgow. Echt jaloersmakend voor de Belgische treinreiziger. De trein is dermate luxues dat er een menukaartje op de tafeltjes staat. We vragen her voor de zekereheid nog eens aan de treinsteward (niet de conducteur, dat is nog iemand anders): “zitten we hier écht in tweede klasse?”. Hij antwoordde bevestigend.
Aangekomen in Glasgow slaan we wat middageten in voor de komende dagen en worden we bij het buitenkomen getrakteerd op een fikse hagelbui. De eerste neerlsag van vandaag in Schotland. We moeten nog anderhalf uur wachten, dus drinken we onze eerste pint in het stationspub, om daarna de treinrit van vorig jaar in omgekeerde richting over te doen: om naar Fort William!

Intussn rijdt de trein al een half uur in een eindeloos zwart. Overal waar er vorig jaar een indrukwekkend lanschap was, heerst nu de duisternis. Logisch ook om kwart na negen in april. Binnen drie kwartier zijn we in Fort William en doen we morgen, na een fiks ontbijt, de eerste etappe van The Great Glen Way.

 

 

1 2 3 4 5