Vancouver

Het gordellampje brandt al enige tijd als enkele passagiers beslissen om eens te kijken of hun handbagage zich nog wel in het compartiment bevindt. Ook al vormen er zich, door de daling van het vliegtuig, al enige tijd stoppen in onze oren. Het vliegtuig vliegt relatief laag over de haven van Vancouver en we zien op verschillende plaatsen boomstammen in het water drijven. Na een rustige vlucht van bijna vier uur, landen we in Vancouver.

De luchthaven wordt duidelijk onder handen genomen; overal zien we plastic en tijdelijke giproc-muren en horen we de lieflijke geluiden van boren, kloppen en zagen. Na enkele omwegen staan we in de open bagageafhaalruimte. Ook hier wandelen mensen zonder problemen of weerstand binnen en buiten.

Een halfuurtje, een koffie en een bagel later, verschijnt Karina op het toneel. We nemen plaats in haar mooie witte wagen rijden mee naar haar woonplaats White Rock, op bijna 50 kilometer van de luchthaven. De doorsnee Canadees noemt zoiets een steenworp.

Whjte Rock blijkt een in de regio, populair kuststadje te zijn, met alles wat daar bijhoort: restaurants, winkels met strandartikelen, een pier… Wat ik evenwel nog nooit eerder zag was een internationale spoorlijn die evenwijdig met de wandeldijk loopt en die je altijd moet oversteken als je naar het strand wil. De treinen die hier passeren zijn ook vaak zo lang, dat je al snel een kwartier aan de overweg staat te wachten. Een ander nadeel van deze lijn is dat ze haar menselijke tol eist; zo sukkelde eerder dit jaar nog een loopster onder de trein die op weg naar haar strandloop de trein niet hoorde komen omdat haar MP3-speler een tikje te luid stond.

Canada-174

Op de pier slaan we enkele kinderen gaande die naar krabben aan het duiken zijn. In de verte zien we de besneeuwde bergtoppen van de Amerikaanse Olympic Peninsula; ik ben hier op ‘slechts’ 150 kilometer van Seattle, de stad waar mijn allereerste Noord-Amerikaans avontuur bijna 10 jaar geleden begon. De Amerikaanse grens zélf is nog veel dichterbij; we kunnen makkelijk een megahotel herkennen in een gebouw op een eilandje dat officieel tot de USA behoort.

’s Avonds neemt Karina ons mee naar een restaurant op een dak. De zon maakt het voor mij lastig, maar het uitmuntende Canadese bier (ik ga dat nog vaak herhalen) maakt veel goed. We zitten tegen de kustlijn en er passeert eindelijk eens een trein. Het monster is zodanig lang dat het einde niet te zien is. Als een enorme slang kronkelt hij zich langs de stijle rotsen in de verte. Het duurt zeker twintig minuten eer hij voorbij is. Nog een vaststelling; de passagierswagons zijn hier vrolijk gemengd met goederenwagons.

Canada-179

Met het eten achter de kiezen rijdt Karina ons rond langs de Canadees-Amerikaanse grens. Nergens een spoor van het enorme, onder stroom staande, hek op de Amerikaanse grens met Mexico; de grens is hier soms een bescheiden hekje, maar meestal een bescheiden beekje. De grensovergang, enkele honderen meters verder, word wėl streng bewaakt, waardoor er altijd lange files staan.

 

’s Anderendaags nemen we de bus naar Vancouver, De stad is pas de achtste van Canada, maar oogt, door zijn indrukwekkende skyline, als de grootste. De bus zet ons af aan de luchthaven waar we meteen in de Skytrain springen. Dat treintje zonder menselijke chauffeur krijgt de prijs voor ‘meest gestolen naam van een publiek transportmiddel’. De eerste paar stations liggen nog bovengronds, maar het overgrote deel van de reis gaat onder de grond verder. Niets te sky. We springen eruit in Waterfront station, bijna aan de andere kant van de stad.

Canada-221

We zetten koers naar Canada Place, een plein op een naburige pier gewijd aan de Canadese geschiedenis. Het is opvallend; overal in Canada zie je de Maple Leaf uithangen, de ene al wat enormer dan de andere; qua patriottisme hebben ze weinig te leren van hun grote zuiderbuur. Vanop Canada Place heb ik een zicht op iets dat ik nooit eerder zag; een luchthaven voor watervliegtuigen. Compleet met in het water gemarkeerde start- en landingsbanen, een passagiersterminal en een tankstation. Canada square is ook de voornaamste cruiseterminal van Vancouver; gelukkig ligt er vandaag geen schip aangemeerd.

Canada-189Canada-191Canada-192

We nemen snel een koffie bij Starbucks en wandelen naar Gastown. Eén van de oudere delen van de stad. We proberen om een foto te nemen bij de beroemde (al had ik er nooit eerder van gehoord) stoomklok, maar dat levert ons vooral een competitie op met de massaal aanwezige Aziaten, die ook een uniek beeld willen bij deze Canadese Manneke Pis.

Canada-200

Als dat na een kwartier eindelijk gelukt is, duiken we enkele sfeervolle souvenirshops binnen om vervolgens wat dieper downtown in te gaan. Eerlijk gezegd vind ik de binnenstad maar niets; het ziet er behoorlijk afgeleefd uit. Ik moet jammer genoeg meer aan Charleroi dan aan Toronto denken. Naar Stanley Park dan maar, met de meest enthousiaste buschauffeur die ik in lange tijd gezien heb. De man is zich goed bewust van zijn taak als vertegenwoordiger van zijn stad en somt bij elke halte een waslijst bezienswaardigheden op.

Stanleypark is een enorm stadspark vernoemd naar dezelfde kerel als die waar de Stanleycup, in het ijshockey, naar vernoemd is. Het toont nog maar eens aan hoe gek deze natie is op het ijzige puckspel. We lunchen in een horecazaak tussen de bomen en vernemen daar dat er in Oekraïne een Maleis vliegtuig met héél veel Nederlanders aan boord door de Russen uit de lucht is geknald. Mijn vliegangst zou weer een beetje toenemen. Tijdens het eten bestuderen we een kaartje en komen we tot de vaststelling dat dit park veel te groot is om te voet te doen. Na het eten keren we dus terug tot net buiten het park en huren een fiets. Voor één keer is het ok te luisteren naar iemand die zegt: “want iedereen doet dat.”.

We krijgen een ietwat raar gevormd rijwiel en een, in Canada verplichte, fietshelm ter beschikking en zetten terug koers naar het park. Daar blijkt een dot van een fietsring rond te liggen en zijn verplicht hem te volgen. Het is zelfs enkele richting. Onze eerste stop is aan de wereldberoemde totempalen van het park. Het is ook hier verrassend rustig. Na wat foto’s fietsen we verder en passeren we na enkele kilometer onder de Lion’s Gate Bridge. Die is een tikje kleiner dan zijn bijna-naamgenoot uit San-Francisco, maar daarom niet minder indrukwekkend. De groene kleur toont trouwens dat het opzet veel bescheidener moet zijn geweest. Ze steekt amper af tegen de heuvels op de achtergrond.

Canada-208Canada-207

De fietstocht voert verder langs het water. Links verheft zich af en toe een hoge klip, dan weer een groen grasveld op dezelfde hoogte als het fietspad. Aan de zwemzones moeten we verplicht afstappen. Er ligt veel volk op de strandjes, want het weer is goed. Als we er bijna zijn zien we tientallen enorme containerschepen en tankers voor de kust liggen. Omdat de haven te klein is voor de belangrijke functie die ze heeft, bevoorradinsghaven van westelijk Canada, zit er voor veel schepen vaak niets anders op dan te wachten tot er een ligplaats in de dokken vrij komt.

We leveren onze fiets terug in, wandelen langs het water, doen een terras in de zon en besluiten de (goedkope) watertaxi naar Granville Island te nemen. Dit moet het mooiste deel van de stad zijn. Er is een kleine overdekte marktplaats, straatmuzikanten en heel veel restaurants. De koloniale stijl maakt het een gezellig geheel en het is er dan ook erg druk. Dit alles met de skyline van downtown Vancouver op de achtergrond. Een tegenvaller is wel dat, zoals zo vaak in Noord-Amerika, de drukste verkeersweg van de stad zich viaductgewijs over het district spant. Voorstanders van de Lange Wapper-brug moeten misschien eens op studiereis naar hier komen.

Canada-224 Canada-220

We nemen een snack, bezoeken een stadspark mét open waterspeeltuin en doen enkele leuke winkeltjes aan. Eén ervan helemaal gericht op de beste vriend van de mens. Daarna nemen we de watertaxi naar de overkant, want ik wil het indrukwekkende voetbalstadion, dat je van bijna overal kan zien, wel eens van kortbij bekijken. De weg er naartoe is ronduit lelijk en loopt van de ene grote weg naar de andere. Het stadion zelf is inderdaad indrukwekkend groot en dat voor de Vancouver White Caps, een goede middenmoter in de Major League Soccer; de Canadees-Amerikaanse voetballiga. Jammer genoeg kunnen we het niet bezoeken, dus moeten we het met de buitenkant doen.

Canada-229

We drinken nog een biertje in de late namiddagzon bij een café in Yaletown, een levendige buurt waar net een marktje aan de gang is. Dan is het alweer tijd om Vancouver achter ons te laten en de Skytrain terug naar de luchthaven te nemen en van daar terug naar White Rock te bussen.

Morgen vertrekken we naar Vancouver Island.

Bloggen in de mist

Een blog beginnen is veel makkelijker dan er een houden. Die bewering blijft staan als een huis. Mijn bedoeling om regelmatig te posten tijdens reizen en na uitstappen, is aanvankelijk goed gelukt (mijn blog over The West Highland Way) maar is naderhand wat in het water gevallen.

Zo was het te bedoeling van onze reis naar Canada, wat voor mij toch de strafste in jaren was, hier uitgebreid te documenteren. Dat is een beetje fout gegaan. Ten eerste leerde ik dat je best á la minute blogt, want die notities verworden toch nooit tot computertekst van hetzelfde niveau zoals je die in je hoofd hebt als je het beleeft. Toegegeven; dat is deels mislukt omdat ik in Revelstoke m’n IPad vergat en we die pas na een week terug zouden krijgen. In het begin vond ik dat nog niet zo erg; ik kon alles noteren en later, we zouden pas in Kelowna terug WiFi hebben, alles te boek stellen. De vraag is of de tabet het ook zo lang zonder opladen zou uitgezongen hebben.

Ten tweede is het duidelijk dat een trektocht zoals in Schotland je opzadelt met heel veel vrije avondtijd die je dan nuttig kan besteden door, ik zeg maar wat, te bloggen. In de Canadese situatie hadden we een knoert van een auto bij en die gebruikten we ’s avonds dan ook vaak om nog ergens wat gaan te eten, wat snel een avondvullend programma werd. Of we waren bij familie en dan is een halfuurtje bloggen snel minder beleefd.

Excuses ik weet het, maar ik maak het een beetje goed. Ons verhaal van Canada zal hier –ingekort en met minder opwinding getypt- nog altijd verschijnen. En ik heb alweer een nieuw Schots avontuur geboekt. Aan de rubriek “uitstappen” is ook gedacht; in december brengen we drie dagen door aan de Normandische Kust, door zijn geschiedenis ook een opwindende plek.

Ik schrijf dit stukje trouwens op de trein, een heel inspirerende omgeving. Jullie zijn dus nog lang niet van mij vanaf.

Toronto

Met een dag eerder in de drogisterij gekocht krasbiljet, springen we op het sympathieke trammetje van Toronto . Eigenlijk zijn deze trams aan vervanging toe, maar dat beseffen de Torontonians zelf blijkbaar ook; later die dag zal ik er één zien passeren tijdens een testrit; een exacte kopie van hun moderne Antwerpse trambroeders.

Al na een kwartier staan we midden in het centrum. We beslissen eerst naar het gigantische winkelcentrum op Dundass-square te gaan, het kloppende hart van deze stad. Zoals in elke shoppingcenter wereldwijd ook hier geen verrassingen; ketens die je in Europa ook vind en een alarmerend gebrek aan goede boeken- en platenwinkels. Het zijn wel nog solden en koop mezelf in de Gap een shirt met een Canadavermelding voor een zacht prijsje. We gaan nog langs de Applestore en een boekenwinkel en begeven ons dan al snel terug de straat op.

We slaan het Royal Ontario Museum over; het grootste museum van Canada zou ons teveel tijd kosten en in Toronto is veel te veel te zien en te beleven. We wandelen in de richting van St.-Lawrence Market. We proberen een stukje het Path-netwerk te volgen. Dit ondergronds netwerk van voetpaden werd destijds gecreëerd omdat de winters in Toronto ongenadig koud kunnen zijn en de reisgids is vol lof over dit knap staaltje stadsondertunneling. Tijdens deze warme zomer is het er anders griezeling leeg en we verlaten het al in de volgende uitgang. Als we boven komen, is het zoeken naar de weg naar buiten, maar uiteindelijk komen we weer in de drukke zomerstraten terecht en zetten we onze weg naar Sint-Lawrence Market verder.
Denk La Bocqieira en Barcelona of Saluhall in Stockholm, maar dan met een Anglesaksische zwier. Overal vind je koeltogen met verse vis en kraampjes met lokale specialiteiten. Maar amper een plek waar je ter plekke kan consumeren; het gros van de aangeboden producten is voor ‘thuisgebruik’. Daar hebben wij hier niet zo veel aan. Op dus naar de volgende landmark.

Het Distillery district is een oude whiskeystokerij die de Torontonians hebben omgevormd tot een hip stadsdeel. De oude opslagplaatsen en stookplaatsen, werden geronoveerd tot hippe winkels en eetcafé’s. We bezoek een retro-sportwinkel (met prijzen uit een verre toekomst) en een hippe interieurwinkel. Hippe interieurwinkels zeggen mij ook hier niets en dus zitten we al snel op een zonovergoten terrasje waar de piepjonge serveuze uit haar vriendelijke rol valt als blijkt dat we alleen wat te drinken willen. Deels begrijpelijk in een land waar het horecapersoneel moet leven van de fooien die de bezoekers willen achterlaten.

We springen terug de tram op richting ferryterminal. Een van de hoogtepunten, zo leert ons Lonely Planet, is een bezoek aan de eilandenarchipel enkele honderden meters in het Ontariomeer. De eilanden beschikken over een pretpark, een wandeldijk en heel erg veel vakantiehuisjes. Wij nemen een retourtje naar het oostelijke eiland en zijn bijna alleen op het veerpont. Het schip naast ons in de aanlegsteiger, naar het centrale eiland, zit afgeladen vol. Daar zal dat pretpark wel voor iets tussen zitten.

De overzet duurt krap tien minuten. Maar het uitzicht op de skyline van Toronto is er niet minder om. Ronduit adembenemend schittert deze stad, die wel van zilver lijkt gemaakt, in de namiddagzon. We lopen eerst wat verkeerd tussen de weekendhuisjes, maar na een half uur komen we uit op een goed verstopt strandje. Redder incluis. We wandelen over de fraaie smalle wandelboulevard en drinken een thee in het, alweer, erg Brits aandoende Rectory Café. De naam, overigens, van een bekend Engels theehuis dat we vorig jaar al bezochten. Als onze thee op is, merken we doorheen het bladerdak dat de namiddagzon stevig aan het zakken is. We spoeden ons dus terug naar de ferry. Die doet nog een ommetje langs het westelijke punt van het eiland en biedt ons aldus nog een leuk uitzicht op de City Airport, waar vliegtuigen nog steeds af en aan vliegen.

Als het schip aanmeert, spoeden we ons naar de CBC-gebouwen. Op weg naar de CN-tower. Deze 553 meter hoge toren is zonder enige twijfel hét Landmark van Toronto. Al van kilometers ver herken je de betonnen spits met de uitbouw. Van op het gelijkvloers lijkt een rit naar boven ronduit angstaanjagend. Elke besluit om niet mee te gaan, dus ben ik op mezelf aangewezen. Voor 27 euro is een toegangsticketje het mijne. Nu is er geen weg meer terug .

De rij is lang maar gaat snel vooruit. De veiligheidsmaatregelen zijn even streng als in een doorsnee luchthaven. Na een (verplicht) fotomoment voor een bluescreen, waarvan het resutaat na bezoek kan aangekocht worden om als idyllisch familieportet te dienen, sta ik als einzelgänger al snel in de lift. Die is quasi volledig van glas en schiet als een raket naar het uitkijkplatform op 300 meter. Onderweg geeft de lokale Robbedoes uitleg over de lift in al zijn facetten.

Boven is het erg druk. Ik ga dan ook maar meteen een wandelingetje in de frisse buitenlucht doen. Er staat op deze hoogte erg veel wind, maar het uitzicht is ronduit spectaculair. Het is een mooie, wolkenloze dag dus ik kan heel erg ver kijken. Onder mijn voeten lijkt de Toronto City Airport wel van Playmobil. De stad zelf is verrassend stil op deze hoogte. Ik laat me fotograferen door een andere toerist en ga weer naar binnen. Daar voel ik dat de toren langzaam meebuigt met de wind. Niet dat dat gevoel alles overheerst, maar het is er wel. Als je erop let.

De lift naar beneden gaat even snel als die naar boven en na een halve minuut sta ik weer veilig op de planeet. De souvenirshop is me te typisch en de eerder genomen familiefoto is eerder zielig met mij alleen erop. Zonder dus nog een dollar uit te geven, herenig ik mij buiten met Elke. Die wilde nog naar het iets verderop gelegen aquarium gaan maar vond dat, met zijn 35 dollar inkom, toch ietwat te duur.

We wandelen onze laatste meters in de stad op weg terug naar Queen Street om daar de tram terug te nemen.

’s Avonds eten we nog in een Italiaans restaurant als een bont allegaartje aan lopers passeert. Het blijkt een groepje buren te zijn die eens per week afspreekt om samen door de straten te gaan lopen. Dat spontaan georganiseerde lijkt mij, na een studie van enkele dagen, iets typisch Canadees te zijn. Leesclubs, loopclubs, paddleclubs… Ze ontstaan spontaan uit het niets en lijken ook weer zo op te lossen. Zonder het georganiseer van een vzw of andere feitelijke verenigingen.

’s Anderendaags nemen we, na een ontbijt van havermoutpap-met-rozijnen, uitgebreid afscheid en van Barry en Lambert. We stappen , na een enerverend lange rij aan de veiligheid, in het vliegtuig voor een vlucht van bijna drie uur naar Vancouver, aan de Stille Oceaan.

Buiten Niagara gerekend.

De stewardess bedankt iedereen om te vliegen met Air Canada en gebiedt ons te blijven zitten tot het vliegtuig volledig stilstaat aan de gate. Na de standaardbegroeting zijn we al op weg naar de bagageclaim, die in een wel heel erg open zone staat waar iedereen zomaar in- en uitwandelt. Het is wat wachten op onze koffers, dus denk ik terug aan de eerste week Canada…

De aankomst in Toronto was hartelijk. Nadat Lambert zijn wagen vakkundig doorheen het hels Torontiaans verkeer loodst, krijgen we al meteen een Indische maaltijd waarvan ik de naam niet kan herhalen, maar ze bevatte zeker geitenvlees en curry. We krijgen deze afhaalmaaltijd voorgeschoteld in de stijlvolle stadswoning van Barry en Lambert, waar we een indrukwekkende logeerkamer en privébadkamer krijgen toegewezen. Na een half uurtje wordt er echter beslist dat we die zullen verlaten; we rijden toch nog naar het buitenhuis, ook al is het al tien uur ’s avonds en is het nog vlot anderhalf uur rijden naar Cobourg, het stadje in wiens buurt het buitenhuis staat.

Het is pikdonker als we er aankomen en daardoor komt de omgeving van het buitenhuis wat bedreigend over. Vanop de weg lijkt alles verholen in eindeloos zwart. Als we uitstappen geven de krekels een overweldigend concert ten gehore. We stappen vanuit de wagen meteen de woonkamer en keuken in. Ik probeer nog enkele woorden te wisselen met Lambert, maar ik ben zo moe van de vluchten dat ik maar meteen in bed kruip en als een blok in slaap val.
’s Anderendaags wordt meteen duidelijk hoe indrukwekkend mooi het hier is; vanuit ons bed hebben we een fraai zicht op het gehele domein rond het huis, wat naar onze Europese normen best indrukwekkend is. Na een ontbijt van havermout met rozijnen neemt Barry ons mee op een wandeling doorheen de tuin. De weg is doorheen het hoge gras gemaaid. Meteen wordt ook de omvang van dit domein duidelijk. Zeker als we, na een bezoek aan het meertje van de buurman, er bijna twintig minuten over doen om terug in het huis te raken.

De volgende twee dagen houden we onze bezig met lezen, zwemmen (want er is ook een zwembad) en zonnen. Een betere manier om over een jetlag te raken moet vooralsnog nog uitgevonden worden. Ik moet me zelfs inhouden of ‘Geachte Heer M.” Is na deze twee dagen uitgelezen. Af en toe wordt deze routine onderbroken om te kaarten of naar de kleine WK-finale tussen Brazilië en Nederland te kijken.

Canada-34 Canada-33 Canada-29 Canada-8

WK kijken.

Veel sneller dan iemand voor mogelijk kan houden, zijn de relaxerende dagen aan het huis voorbij en rijden we terug richting Toronto. Onze missie voor vandaag bestaat erin om de wedstrijd tussen Duitsland en Argentinië, de WK-finale, zo goed en sfeervol mogelijk te volgen. Natuurlijk is een voetbalwedstrijd pas te volgen als de maag gevuld is en daarom gaan we eerst eten in een Dim Sum-tent op de bovenste verdieping van een winkelcentrum in hartje Chinatown. Door de uitsluitende aanwezigheid van Chinezen, de drukte en de manier van bedienen (er is geen kaart; de serveuzes komen voorbij met een karretje waarop de gerechten staan, neuzelen wat in het Chinees en dan is het de bedoeling dat je of toehapt of weigert) is dit voor mij toch de eerste, zij het beperkte, cultuurshock.

We begeven ons naar het CBC-Center, de hoofdzetel van de Canadese Staatstelevisie in de schaduw van de CN-Tower. Hun gebouw is een verademing in vergelijking met de aftandse troep waarmee ‘onze’ VRT de skyline van Brussel verpest. Een lesje in hoe het ook kan. Daar toegekomen wordt de toegang tot het gebouw verspert door een veelkleurige mensenmassa. Naast de kleuren van de protagonisten zie ik ook veel andere WK-deelnemers terug. Nederlanders, Colombianen, Italianen… Ze zijn er allemaal. Maar ook landen als Ethiopië en Canada (uiteraard) zijn vertegenwoordigd. Ik heb spijt dat ik last-minute beslist heb mijn Belgisch truitje thuis te laten. Dat gaat volgende keer als eerste de rugzak in.

De uitbarsting na de overwinning van de Hunnen moet de grootste zijn buiten Duitsland. En de meest multiculturele. Ik kan mij niet van de indruk ontdoen dat de feestvierders ook zouden gevierd hebben mocht, pakweg, Bosnië-Herzegovina gewonnen hebben. In Elk geval, Dundass Square, het Times Square van Toronto zeg maar, wordt afgezet. Een moedige moslimvertegenwoordiger maakt reclame voor zijn zaak , maar wordt helemaal in een hoekje gedrukt door die andere wereldgodsdienst; voetbal.

Canada-70 Canada-69

The Falls

De dag erna lenen we Lamberts’ auto en Warrens’ GPS om op zoek te gaan naar de Niagarawatervallen. Op 180 kilometer van The Big Smoke. Een eindje voor verloren Europeanen. Naast de deur voor de standaardcanadees.

Elke lijkt erg snel te wennen aan de automatische versnellingsbak en we vinden het natuurfenomeen makkelijk terug. En dat is, althans zo vermoed ik, amper veranderd sinds het door de eerste kolonisten werd ontdekt. Het stadje naast de Falls doet me een beetje denken aan Las Vegas, waarbij de watervallen een leuke, bijkomstige constructie zijn. Er zijn casino’s, een IMAX-theater, een gewoon theater, shoppingcentra en megahotels. Om zeker te zijn dat de toerist niet vergeet véél geld uit te geven, mag de prijs van de parking er alvast zijn: 20 dollar en dat parkeerplekje is van ons.

We begeven ons meteen in de richting van de watervallen en worden al snel overvallen door een stevige regenval; ongeacht het weer regent het in de buurt van de watervallen al-tijd. De regenponcho’s die men in het bezoekerscentrum uitdeelt, zijn geen partij voor de Niagararegen. Maar met een regenjas lukt het wel, dus kunnen we wat korter naar de rand.

De watervallen storten zich hier 50 meter naar beneden en dat over een breedte van ruim 650 meter. Hoeveel water daar over de rand gejaagd wordt moet de lezer maar eens opzoeken op Wikipedia, maar het is indrukwekkend om naar te kijken. Nog indrukwekkender dan de watervallen zélf, vond ik echter de Niagara-river, die hier breder is dan de Schelde ter hoogte van Antwerpen maar kolkt als een woest bergriviertje op een regenachtige lentedag. Als je hier in valt (omdat, pakweg, de chihuahua weer wat enthousiast achter een weggeworpen tak rende en niet uitkeek) ben je gezien.
We wandelen over de Boulevard richting de Rainbow-bridge en besluiten maar niet haring-in-een-ton-gewijs mee te varen in één van de toeristenbootjes die tot aan de basis van de watervallen varen, wegens geen toegevoegde waarde en mijn gebrek aan vertrouwen in deze wijze van transport. We begeven ons na afloop nog naar het visitor center, dat bij nadere inspectie een ordinaire souvenirwinkel blijkt. Op naar de auto en naar Niagara-on-the-Lake.

Canada-75

Van Lambert mochten we niet de snelweg naar Niagara-on-the-lake nemen, maar wel de Niagara Parkway. En dat hebben we ons geen seconde beklaagd. De weg voert ons door een groen glooiend landschap met golfterreinen, authentieke boerderijen en spectaculaire gezichten op de Niagararivier. We kopen een karton kersen onderweg en na een drietal kwartier komen we in het Victoriaanse stadje uit. Victoriaans is alvast van tel voor één straat (wel een lange) met winkels die zo uit Engeland lijken weggeplukt. Al moet het personeel dan wel wat aan z’n accent doen. We bezoeken een aan Kerstmis gewijde winkel en bezoeken enkele souvenirshops, terwijl de Amerikaanse en Japanse toeristen rondom ons zich in Europa wanen.

Canada-92 Canada-90

Op de weg naar Toronto wordt duidelijk dat achter de Victoriaanse façade van de hoofdstraat, doodnormale Noord-Amerikaanse suburbs liggen. We passeren ook een heleboel wijndomeinen en Lake Ontario wijkt geen minuut uit ons zicht. Na anderhalf uur bevinden we ons terug in hartje Toronto., waar we een taxi nemen naar Harbourfront. Deze gezellige buurt biedt enkele toffe terrasjes aan het meer en op een warme avond als deze waan je je meteen in Kroatië. Tenminste; als je naar het water en de eilanden kijkt . We dineren in the Amsterdam Brewhouse en ik kom tot de vaststelling dat Canadees bier lekkereder is dan in de meeste andere buitenlanden. Dat is een goed voorteken voor de rest van de reis.

Canada-98

Volgende keer: The Big Smoke.

De saaiste luchthaven.

De file naar Brussel begon vanmorgen al in Mechelen. Naar verluidt is dat volledig normaal. Ik wil dat graag geloven, maar niet als wij er in staan op weg naar de luchthaven van Zaventem. Of Brussels Airport, zoals we nu dienen te zeggen.

De afhandeling van de bagage gaat, ondanks een alle dienst weigerende transportband, erg vlot, wat dan weer niet van de verdere controles gezegd kan worden, misschien maar goed ook. We nemen plaats in de zeteltjes naast de gate naar Montréal en stappen met de laatsten mee op het vliegtuig in de kleuren van de Candese vlag.

Wat is dat toch altijd met mij en vliegtuigen? Ik hou van de sfeer op luchthavens. Ben erg gefascineerd door het wonder der techniek dat zo’n vliegtuig is en weet hoe veilig die dingen eigenlijk wel niet zijn. En tóch voel ik mij tijdens zo’n vliegreis nooit helemaal op m’n gemak. Ook al is er een onboard- entertainment om ú tegen te zeggen. Zelfs de catering van Air Canada kan mij nooit hélemaal doen vergeten dat ik mij in een zwevende metalen buis boven de oceaan bevindt. Een uitgebouwde buis, dat wel, maar toch; een buis. Na een zeven uur van twijfelen tussen piekeren, slapen, lezen en film kijken, staat het vliegtuig goed en wel aan de grond in Montréal.

De paspoortcontrole verloopt hier op zijn Amerikaans -met aftrek van de vingerafdrukken-. Ook hier weer geen lange rij; Na een half uurtje hebben we onze bagage opgepikt én staan de in de terminal van een op het eerste zicht oudbollige en saaie luchthaven. Ze doet me een beetje denken aan het station van Brussel-Zuid, maar dan zonder de haastige pendelaars en de naar urine ruikende hoofdgang. Ik koop twee reisstekkers in een krantenwinkeltje. In een barretje bestel ik, uit nieuwschierigheid een Bagel quebecois, het blijkt om een toast met Philadelphia en confituur te gaan. Jaloers kijk ik naar Elke’s broodje met gerookte zalm.

Binnen een half uur moeten we alweer het vliegtuig op voor een kort vluchtje naar Toronto, waar Lambert ons normaal op zal wachten. Hoe het verder gaat op deze reis, is uiteraard hier op de voet te volgen. Als de WiFi hier overal free is, natuurlijk…

Backpackers ABC

Backpackers ABC

Vandaag stootte ik op deze website. Bijna net zo interessant als mijn eigen Reis-ABC! 

Geen definitief afscheid

Kinlochleven – Fort William;  24 kilometer

Hoe hard we ook proberen, de deur van de pub gaat niet open. De uitbaters geven niet thuis. We zijn dus veroordeeld om ons ontbijt buiten tot ons te nemen. Een heel spijtige zaak, want ik had écht zin in een Schots pubontbijt. De combinatie van spek, eieren, worstjes en bonen in tomatensaus is eigenlijk ook wat ik vandaag eigenlijk nodig zou hebben. Vandaag staat immers de langste etappe op het programma. 24 kilometer is het tot Fort William. We ontbijten dan maar met broodjes, uit de supermarkt, op het dorpsplein. Voor het eerst is het een zonnige ochtend.

De wandeldag begint stevig: we zijn Kinlochleven nog niet uit of de eerste klim is daar al. Na elke haarspeldbocht krijgen we een steeds spectaculairder zicht op het dorp en het gelijknamige meer. Al snel zijn we het bos uit en zitten we terug midden in de vertrouwde kaalheid van de Highlands.

DSC_0252

DSC_0255

We wandelen door een vallei waar alweer geen enkele boom beschutting biedt tegen de koude wind. Als die beschutting er, in de vorm van twee ingestorte boerderijen wel komt, staat er een bord dat het ten strengste verboden is om ze te betreden.

Het is al middag als de vallei een bocht naar rechts maakt en het landschap verandert. De kale vlakten maken in de verte plaats voor naaldwouden en een meertje. Niet veel verder stappen we door wat ooit een naaldwoud was, maar nu een troosteloze vlakte met de zielige stompjes van omgekapte bomen. We passeren het halfwegpunt van de etappe en zien, na wat stijgen en dalen, voor het eerst de Ben Nevis, met zijn 1344 meter de hoogste berg van de Briste Eilanden.  Weliswaar met de top volop in de mist. We passeren een waterval en dalen af in een fraai naaldwoud. In een open plek (die ooit vol bomen stond, zo getuigen de stompjes) volgt de stevigste en laatste klim van de dag. Die geeft uit op een brede wandelweg en vanaf daar is het, door het bos, bergaf tot in Glen Nevis.

DSC_0273

Dan komen we iets eigenaardigs tegen; door werkzaamheden in het bos mogen we niet verder en moeten we een omleiding volgen. Die loopt steil door het bos naar beneden langs een speciaal aangelegd pad. Compleet met houten leuning; wel heel erg veel moeite voor een omleiding voor enkele wandelaars per dag. De omleiding is ook daarna nog goed aangeduid ( op een kleine onduidelijkheid ter hoogte van Glencoe Youth Hostel na) en al snel staan we op een voetpad naast een autoweg op weg naar Fort William. Ik had me de laatste mijl van deze fabelachtige weg wel wat anders voorgesteld.

Eerst passeren we het voormalige einde van de West Highland Way, maar dat voldoet niet voor mij. Dus gaan we, na een koffie in een gi-gan-ti-sche souvenirwinkel, op weg voor de laatste honderden meters. We passeren het station en wandelen door High Street, als we onze Engelse vriend van in Inveroran Hotel tegenkomen. Hij vertelt ons over zijn poging om de Ben Nevis te beklimmen, maar die hij moest staken; Nog véél te véél sneeuw. We wensen elkaar proficiat voor het volbrengen van onze queeste en zetten koers naar de eindmeet. De Engelsman vertelt ons dat hij een kamer, met bad, gereserveerd heeft in een hotel. Hij verdient het na dagen in een natte tent. Nog honderd meter.

De High Street van Fort William is één grote outdoor-winkel. Met hier een daar een pub ertussen, dat wel. Het monument voor het officiële einde van de West Highland way bestaat uit een pleintje met een in metaal ingemetselde aankomststreep, met daarachter een sculptuur van een kaart van de weg. Daarnaast staat een bankje met een standbeeld van een wandelaar die zijn voeten masseert. Ik neem plaats naast deze bronzen kerel en laat me gewillig fotograferen. We mogen hem dan niet hélemaal gewandeld hebben; toch voelt het goed. Maar ook een beetje onwennig. De West Highland Way zit er op.

DSC_0287

Epiloog.

’s Anderendaags nemen we de trein terug naar Glasgow. Dat wordt, zoals al eerder gezegd, de mooiste treinrit uit mijn bestaan. Onze halve dag in Glasgow besteden we aan een kleine wandeling in de stad en het prijswinnende Riverside Museum, Europees museum van 2013. DSC_0312

Onze laatste nacht brengen we door in het waanzinnig goed gelegen en best wel luxueze Alexander Thomson Hotel; een museum op zichzelf. Goed verstopt ook.  Wie de booking.com smartdeals vertrouwt, krijgt dit soort leuke verassingen bijna in de schoot geworpen.

’s anderendaags brengt het vliegtuig ons terug naar Amsterdam. Ik zou hier willen typen dat ik mijmerde over het Schotse landschap daarbeneden. Helaas; een dik en o zo bekend wolkendek steekt daar een stokje voor…

See you again soon, Scotland!

Bier en Hemelwater

Kings’s house – Kinlochleven

De wind waait nog steeds strak uit het noordwesten als we onze eerste stappen op onze vierde dag West Highland Way zetten. Aanvankelijk regent het niet, maar daar komt na dik drie kwartier verandering in. Bij momenten denk ik dat, als dit België moest zijn, Frank Deboosere zou oproepen om binnen te blijven en in Antwerpen de parken zouden worden afgesloten.

We volgen de weg die ongeveer evenwijdig met de autoweg en de Etive-rivier loopt. We moeten een beetje klimmen als een zijriviertje ons de weg belemmert door de overvloedige regen van de laatste dagen. Aan onze linkerkant wijst de indrukwekkende Buachaille Etive Moor (De Grote Herder van Etive) ten hemel. Hoe iemand er ooit in geslaagd is deze gigantische, puntige berg te beklimmen, is mij een raadsel.

DSC_0225

Als de autoweg de wandelweg ei zo na raakt, mogen de wandelaars beginnen aan de beklimming van de Devils’ Staircase, het hoogste punt van de hele West Highland Way. Slechts 548 meter, maar best een stevige klim. zeker met een rugzak. Normaal worden de inspanningen beloond met een indrukwekkend zicht op Ben Nevis en het omliggend massief. Blijkbaar deden wij iets verkeerd, want alles wat wij zien zijn wolken. Wolken en water. Tijdens de afdaling begint het terug te regenen en steekt er opnieuw een ijzige wind op. Dit duurt tot we afgedaald zijn in een naaldwoud en we tussen de bomen Kinlochleven zien liggen, diep verscholen in de vallei.

DSC_0206

We lunchen op een brug boven een indrukwekkende waterval. De eerlijkheid gebied me wel te vermelden dat diens grootste verval veroorzaakt word door een stuwdam.

Kinlochleven is een voormalig industriestadje dat zich vandaag slapend aanschurkt tegen Loch Leven. Nu is het vooral bekend als een belangrijke etappeplaats van de West Highland Way. En voor zijn kunstmatige ijsmuur, waar ijsklimmers van heinde en verre komen om hun hobby bot te vieren. Wij checken in de Blackwater Hostel (& Campsite) en krijgen twee oudere Engelse heren bij op de kamer.

Wie heeft je dát verteld? De reisagent? Hahahaha!

– De Engelse kamergenoot als ik hem meedeel dat ik dacht dat april de droogste maand was in Schotland-

’s Avonds eten we heel goedkoop Chili con Carne in de Pub, want de enige Fish&Chips-shop van het dorp is gesloten.

Voor het slapengaan lees ik nog wat, onder het nuttigen van een blik Stella,  in ‘Oorlog en Terpentijn’ van Stefan Hertmans en wordt daarbij nogal gestoord door een groep Duitse Jongeren die de gemeenschappelijke zaal onveilig maken. Pa probeert naar een programma op BBC te kijken, maar blijkt daar ook niet in te slagen. Onder de wol dan maar. Gelukkig snurkten de Engelsen niet.

 

Trein Fort William – Glasgow

Toen God het Aards Paradijs schiep, moet hij eerst op inspiratiereis naar Schotland zijn geweest. Na wat er hier aan het treinraampje passeert op weg naar Glasgow, ben ik daar van overtuigd. De trein rijdt hier in zijn eigen bedding zonder dat er ook maar een autoweg in d buurt is. of een dorp. of een huis. met de trein rijden is hier zweven door Schotland’s indrukwekkendste landschappen. Moeraslanden wisselen hier de meren en naaldwouden af. met op de achtergrond steeds de besneeuwde bergtoppen van de Highlands. Herten en schapen nemen akte van de passage van de trein. ik neem bewust geen foto’s omdat die nooit kunnen uitdrukken wat je hier te zien krijgt. volgens Lonely Planet is Schotland het mooiste ‘land’ ter wereld. als je deze treinroute neemt, die toch bijna vier uur duurt, begrijp je perfect waarom.

Dezelfde trein passeert ook in het station van Bridge of Orchy als we er zitten te lunchen op de trappen naar de voetgangerstunnel. er stapt één iemand uit en één iemand in, alsof de rijtuigen in evenwicht moeten blijven. De stationschef begroet ons, zoals iedereen hier lachend en passeert nog een aantal keer. gezien zijn lichaamsomvang zou je niet vermoeden dat hij die trap zo vaak op en af gaat.

DSC_0075

na de lunch gaan we verder Bridge of Orchy in. We steken de brug over waaraan het minuscule dorp zijn naam dankt waarna een stijle klim in een naaldbos volgt. Een C130 van de Royal Air Force komt laag overvliegen. Na een stevige klim vangen we de eerste glimp op van de vallei van Loch Tulla. we klimmen even op een heuveltop om de hele vallei te zien. het uitzicht is werkelijk adembenemend. Ik neem wat panoramafoto’s en na een kwartier beginnen we met de afdaling. na enkele minuten krijgen we Inveroran Hotel in het zicht, dat in het einde van de vallei ligt. Het hotel staat daar moederziel alleen. Dit moet. qua locatie, het mooiste hotel zijn waar ik ooit geslapen heb. En, omdat het een hotel is sinds 1707, waarschijnlijk ook het oudste.

DSC_0119

De binnenkant komt wat ouderwets over, maar dat stoort niet op deze plek. Het vasttapijt in Schotse ruit, de krakende houten trap en de héél erg klassieke ontbijtzaal; het hóórt er allemaal bij. En na een dag in de Schotse wildernis is álles met een dak en centrale verwarming welkom. Dat vonden vast ook Charles Darwin, die hier verbleef tijdens een periode waarin hij onderzoek deed naar de naaldbomen in deze vallei, en Charles Dickens.

DSC_0106

We proberen nog een wandeling te maken in het moeras, maar door de vele regen van de afgelopen dagen (behalve vandaag; vandaag was een droge dag) is dat bijna onmogelijk. dus keren we maar naar onze kamer terug om wat te rusten. Het avondeten bestaat uit zalm met gestoomde groenten met een glas cider. Na het eten nemen we plaats in de walkers’ bar en ontmoeten daar een Engelsman en een Hongaar. wie het begin van een grap vermoedt, is er echter aan voor de moeite. De twee doen. apart van elkaar, de West Highland Way met een tent. Ik druk alweer mijn gevoelens van respect uit. De heren slapen nu ook weer in een tent, maar zijn wat blij dat ze eens binnen kunnen zitten. al keuvelend bestel ik de eerste Whiskey uit mijn bestaan (een Oban Single Malt) en smaakte dat het goed was.

Inveroran-Kings’ House 16 kilometer

De volgende ochtend tikt de regen zachtjes op het vensterraam. En alvorens iemand ‘Rob De Nys’ kan zeggen, zitten we al beneden aan de ontbijttafel. Als we vertrekken is het gedaan met regenen. We zwaaien nog snel naar onze Hongaarse vriend die zijn tent aan het opvouwen is en stappen verder. we zetten onze eerste stappen op de 18-de eeuwse, militaire weg waar de kasseien én de karrensporen nog goed te onderscheiden zijn, wanneer de eerste druppels vallen. We wandelen naast de eerste meters van Rannoch Moor; het grootste aaneengesloten natuurgebied van het veringd koninkrijk. De bergtoppen op de achtergrond zitten verstopt in de wolken. Het is ook opvallend hoeveel wandelaars we vandaag tegenkomen. Tot hier toe was dat altijd uitzonderlijk. Bij momenten regent het fel, en als het regent. steekt er een ijzige wind op. Ik kan mijn handen niet warm houden. gelukkig worden hevige regenvlagen van tijd tot tijd afgewisseld met een zonnestraal.Of twee. Meer zeker niet. We wandelen door Rannoch Moor en de weg wordt af en toe onderbroken door een kleine waterval of een bruggetje. Na een drietal uur op de weg nemen we een stevige bocht naar links en krijgen we het eerste zicht op de vallei van Glencoe.

DSC_0156

De wandelaar die de indruk krijgt dat hij ‘hier al eens is geweest’ kan ik meteen geruststellen; je hebt geen vorig leven achter de rug en je Highlandouders hebben je ook niet aan een Belgisch paar afgestaan voor adoptie. Deze vallei figureert wél in een hele hoop populaire films, zoals daar zijn Braveheart, Skyfall en Harry Potter. We lunchen in de koude wind (een constante tijdens de WHW; nergens een schuilhut, café of toilet op strategische plekken) en worden ingehaald door onze Hongaarse vriend, die na een korte babbel voor altijd uit ons zicht zal verdwijnen. Na de lunch passeren we Glencoe Ski Station. In tegenstelling tot wat vaak beweerd word, staat dot hier niet echt in de weg. op deze splinter vitten is de balk in je oog (de A82-autoweg beneden in de vallei) compleet negeren.

DSC_0212

Na vijf uur wandelen checken we in in Kings’ House Hotel. Dit bekende hotel, plompverloren naast de autoweg, zal ons meest luxueuze verblijf van de hele weg blijken. Het beschikt over 2 salons, 2 bars, een eetzaal en een hoop kamers. Onze kamer is vrij klein maar tiptop in orde en we hebben een ongelooflijk uitzicht op de vallei van glencoe. We zijn redelijk vroeg en besluiten korhoenen gaan te spotten en, als het even kan, te fotograferen. Ik had er immers vlakbij het hotel enkele gezien en wilde deze bij ons uitgestorven vogel op beeld hebben. Na een een half uur Rannoch Moor besluiten we echter terug te keren, omdat de wind het ons bijna onmogelijk maakt. Een koppel dat begon hun tent op te zetten buiten het hotel, pakte terug in. Ik maak nog wat foto’s van een overstekend hert en de om brood bedelende vinken en bestel dan een pint in de climbers’ bar. Na het avondeten nemen we plaats in het chique salon van het hotel en plaats ik mijn eerste blogpost. De wind lijkt de ramen wel uit hun kozijnen te blazen en de regen klettert. ik denk aan de wildkampeerders die ergens daarbuiten in hun tentje liggen…

Kinglochleven

Inveraran – Tyndrum, 20 kilometer
Terwijl de regen op ons neerdaalt in Inveraran, zoeken we onze weg (of eigenlijk, dé weg) doorheen een weiland. De Highland way werd van op de autoweg aangeduid met een houten bord, maar de weg ernaar toe is weggespoeld door de rivier. Dus steken we de belendende camping over en vinden we hem eindelijk. We zouden hem de komende dagen nooit meer lossen.

DSC_0021

De eerste kilometers van onze weg gaan langs de rivier die ons net nog de doorgang belemmerde. We moeten vaak een houten brugje over een zijrivier oversteken en de rivier zelf (de Falloch) stort zich vaak, middels een fraaie waterval- naar beneden. Ondertussen blijft het pijpenstelen regenen. En komen we enkele tegenliggers tegen.

Ja, en heel mijn tent ruikt naar natte hond.

– een passerende, uitgeregende wandelaar die samen met zijn border collie op pad was op mijn vraag of hij dan niet blij was dat zijn vriend erbij was. –

DSC_0017

We halen een groep wandelaars in die zich afvragen wat we in godsnaam vanuit België met dit weer op de West Highland Way komen zoeken-intussen is het ook stevig beginnen waaien-, waarop ik antwoord dat toch iedereen recht heeft op een tijdje er tussen uit. Dat was nadat we -in groep- de weg even verlieten om een kudde koeien (met kalveren) te omzeilen die zich pál op de weg hadden gezet. Ze verlaten de weg ter hoogte van Crianlarich terwijl wij al stijgend een het eerst bos inwandelen. De eerste beschutting na drie uur regen en wind. We lunchen meteen bij het eerste droge moment. Na de lunch gaat het bergaf en komen we uiteindelijk in Tyndrum uit. We overnachten in de viersterren Tyndrum By The way Hostel in een piepkleine kamer. Niet zo erg, want buiten ons zijn er nog welgeteld twee andere mensen in de hostel.
Na het avondeten Skype ik nog wat met Elke en als dat gesprek afgelopen is word ik plots door één van die twee aangesproken in het Nederlands. Ze was in Leuven geboren. ik word meteen uitgenodigd om mee kaart te spelen. De twee blijken met de tent onderweg en boekten een nacht in de hostel om eindelijk eens wat op te drogen. We zouden doorheen de tocht nog gelijkaardige verhalen horen.

DSC_0031

Tyndrum-Inveroran Hotel, 16 kilometer
De dag erna lijkt de eindeloze regen eindelijk ermee op te houden. We ontbijten in The Green Welly Stop, een populair wegrestaurant langs de A82. Daarna gaat het verder langsheen een kerkhof met welgeteld twee graven. Blijkbaar gaan Schotten moeilijk dood.
Daarna gaat het gestaag verder en krijgt de weg het gezelschap van de spoorweg. Het landschap openbaart zich en eindelijk krijgen we een glimp van de echte Highlands te zien; een tussen heuvels uitgestrekt moeraslandschap met een zich daartussen kronkelende spoorweg, compleet met viaduct. We passeren weilanden met de eerste Highlandrunderen en in de rivier (ondertussen heet hij Allt Kinglass) baden scholeksters. We komen een eenzame wandelaar tegen en steken de rivier over aan een eenzame boerderij. Een drietal kwartier later zitten we te eten in het pittoreske, verlaten, station van Bridge of Orchy.

Tot zover het relaas voor vandaag. Ik typ dit in de Blackwater Hostel in Kinlochleven. Morgen hebben we de laatste dag voor de boeg (24 kilometer) en ik weet dat ik, op een manier, deze weg ga missen.

1 2 3 4 5